Soms, als ik door een stad fiets, zie ik ze liggen: groene eilanden van rust te midden van het stedelijk gedruis. Een bonte verzameling van kleine huisjes, nette perkjes en soms een wat wildere, natuurlijke hoek. Het zijn de volkstuinen. Elke keer vraag ik me af: hoe zijn deze oases eigenlijk ontstaan? Wat vertellen ze ons over de geschiedenis van onze steden en de mensen die er woonden? Voor wie thuis planten verzorgt, helpt het verzorgingsschema voor water en plantenvoeding om grond, potmaat en seizoen samen te bekijken.
Het verhaal van de Nederlandse volkstuin is er een van veerkracht, van de zoektocht naar een eigen plekje, en van die onmisbare verbinding met de aarde. Het begon uit bittere noodzaak, maar groeide uiteindelijk uit tot een geliefd cultureel fenomeen.
De Zaadjes van een Idee: Waar Armoede en Groen Elkaar Vonden
Stel je voor: het einde van de 19e eeuw. De industriële revolutie raast door Europa en stuwt mensen massaal van het platteland naar de snelgroeiende steden. Fabrieken spuwen rook, straten zijn overvol, en de woningen zijn klein, donker en vaak ongezond.
Voor veel arbeidersgezinnen was het dagelijks leven een constante strijd om te overleven. Vers voedsel was schaars en duur, en de honger knaagde.
In deze context schoten de eerste ideeën voor volkstuinen wortel. Niet alleen in Nederland, maar ook in landen als Duitsland, waar de 'Schrebergärten' ontstonden, en Engeland met zijn 'allotment gardens'. De naam volkstuin zelf is prachtig eenvoudig en zegt veel over het oorspronkelijke doel: een tuin voor het 'volk', de gewone mensen.
Wat weinig mensen weten, is dat de term in Nederland pas echt ingeburgerd raakte in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het Duitse equivalent 'Schrebergarten' bestond al decennia eerder. Die naam is vernoemd naar de Leipzigse arts Moritz Schreber.
Hij heeft zelf nooit een tuin aangelegd, maar een lokale schooldirecteur gaf zijn naam aan de eerste tuinpercelen als eerbetoon. Een naam die een beweging draagt, terwijl de naamgever nooit een schop in de grond heeft gestoken.
Het was een direct antwoord op de armoede en het gebrek aan ruimte, een manier om stedelingen een stukje grond te geven waarop ze zelf hun groenten konden verbouwen. Een plek om broodnodige vitamines te halen en tegelijkertijd een beetje frisse lucht te scheppen.
Deze vroege initiatieven kwamen vaak van filantropische instellingen, kerkelijke genootschappen of vooruitstrevende werkgevers. Zij zagen in dat gezonde, productieve arbeiders ook beter waren voor de maatschappij. Zo begon de volkstuin aan zijn bescheiden maar cruciale opmars, als een groene baken van hoop in een grauwe tijd.
Een Stukje Land voor Iedereen: De Vroege Jaren en de Eerste Oogsten
In de vroege jaren van de 20e eeuw groeide het aantal volkstuinen in Nederland gestaag. Gemeenten begonnen de waarde ervan in te zien en stelden grond beschikbaar, vaak aan de randen van de stad. De plots waren bescheiden, gemiddeld zo'n 100 tot 200 vierkante meter, maar boden genoeg ruimte voor een gezin om een aanzienlijk deel van hun voedselbehoefte te dekken.

Dit was een periode waarin de wereld in sneltreinvaart veranderde. Terwijl in Nederland de volkstuinbeweging een vaste plek kreeg in het stedelijk landschap, werden elders in Europa en Amerika steden steeds dichter bevolkt. De roep om openbare groene ruimtes werd steeds luider.
Wat verbouwden mensen vroeger in die tuinen? Vooral basisgewassen die veel opbrachten en goed bewaard konden worden: aardappelen, bonen, wortelen, uien, boerenkool en rode kool. Denk aan de bescheiden aardappel , die een hoeksteen van het dieet vormde en uit Peru naar onze streken was gekomen om vele monden te voeden. Het was een kwestie van pure zelfvoorziening; elke oogst was een overwinning op de honger.
De tuinen waren niet alleen plekken om te werken, maar ook om kennis en zaden uit te wisselen met buren. Dat creëerde een sterk gemeenschapsgevoel. Het was een hard, maar lonend bestaan, direct verbonden met de seizoenen en de vruchtbaarheid van de aarde.
Deze vroege volkstuinders legden onbewust de basis voor een beweging die veel verder zou reiken dan alleen voedselproductie. Later zouden ze een heel andere rol gaan spelen in het leven van de stedeling.
Van Voedselzekerheid tot Vrije Tijd: De Evolutie van de Volkstuin
De Tweede Wereldoorlog markeerde een cruciale periode voor de volkstuinen. Met de voedseltekorten en de distributiebonnen werden de tuinen opnieuw van levensbelang. Wie een tuintje had, kon zichzelf en zijn gezin vaak net iets beter voeden dan anderen.
Na de oorlog, toen de welvaart langzaam toenam en de supermarkten hun intrede deden, begon de functie van de volkstuin te verschuiven. Het ging minder om pure noodzaak en meer om ontspanning, hobby en de liefde voor het buitenleven.
De volkstuin veranderde van een productietuin in een recreatietuin. Mensen begonnen er niet alleen groenten te verbouwen, maar ook bloemen, fruitbomen en struiken. De kleine schuurtjes werden steeds vaker omgetoverd tot gezellige tuinhuisjes waar men de weekenden en vakanties doorbracht. Een belangrijke figuur die de waarde van groen in de stad benadrukte, was bijvoorbeeld Jac. P. Thijsse , de bekende natuurbeschermer en onderwijzer.

Hoewel hij niet direct de volkstuin initieerde, inspireerde zijn werk velen tot een grotere waardering voor de natuur, zelfs in de stadse omgeving. Kun je je voorstellen dat in de jaren '50 en '60 de huurprijzen voor een volkstuinplot in Amsterdam soms niet meer dan 50 gulden per jaar bedroegen? Een fractie van de waarde die zo'n groene plek vandaag de dag vertegenwoordigt.